Tussen de soep en de patatten door leerde ik gisteren dat Tchaikovsky (u weet wel, de Russische notenkraker die nu 168 jaar oud zou zijn) werd on-der-hou-den. Naar mijn mening is dat een zeer begerenswaardige positie. Wie wil nou niet onderhouden worden?
Ik heb het niet over de eega-eego relatie. We weten allemaal dat vrouwen niet horen te teren op het geld van hun venten. En omgekeerd natuurlijk. Dat vind ik ook! (Hoewel ik moet toegeven dat ik gaarne te pas en te onpas gefêteerd word. Je bent verwend of je bent het niet.)
Nee, het gaat hier om de band tussen patronus (geen Potter-variant) en clientes. Eerstgenoemde onderhoudt laatstgenoemde, gewoon, for the sake of art! Lekker, toch? Dat is pas subsidie. Ik wou dat ik zo'n geldschieter had. Want na een maand ex-loonslaaf merk ik al hoe het creatieve luikje in mijn hoofd steeds wijder open staat. Kom maar op met dat geld! Dan hoef ik het niet meer te verdienen en kan ik gaan produceren! Aan de lopende band, jongens!
Net als Tchaikovsky. Man, wat had die jongen een fijne patron! Nadeshda von Meck heette ze. Mevrouwtje фон Мекк werd zelf eerst onderhouden door een treintycoon (het is haar gegund; ze baarde 18 kindertjes) maar in 1876 werd ze weduwe van de bovenste plank. Twee jaar later kon Pjotr (toen 38) zijn baantje als professor aan het conservatorium van Moskou opgeven: Von Meck besloot hem jaarlijks zesduizend roebel toe te stoppen. Dat schijnt vijftien keer zoveel te zijn als de fooi waarmee een ambtenaar zijn gezin in leven moest houden. In elk geval was het veel: Von Meck ontving de ene dankbrief na de andere. Zodoende hield de roebelregen wel veertien jaar aan. Nou, ik zou er ook mooi van gaan musiceren, echt wel.
Tegenwoordig zijn ze schaars, die patronnekes. Clientes moeten al lang client zijn voordat ze dollartekens mogen ontwaren in de ogen van Moedertje Staat of andere Moedertjes. Van alle kanten wordt debutanten ten stelligste ontraden te debuteren. Alleen voor een tweede boek krijg je - als je geluk hebt - een zak(je) geld van het Fonds voor de Letteren: 'Debutanten kunnen eenmalig een stimuleringsbeurs aanvragen voor het schrijven van een tweede boek.'
Bij het lezen van zo'n zin kreunen mijn spaarcentjes. Werk dóór, sissen ze me toe, de bodem is nabij! Toevallig luisterde ik na mijn Tchaikovskiaans inzicht naar Q-music. Daar kan je momenteel 61.000 euro winnen (netto, zei de radiomeneer - NETTO). Het enige wat je hoeft te doen, is een geluid raden. Maar ja, dan moet je weer het geluk hebben om je winnende antwoord op de radio te mogen vertellen, na tig sms'jes en telefonische wachtrijen.
Mja.
Ik ga maar weer eens aan de slag. Al dat gedagdroom... Werken, kreng, werken!
Meer, méér...
maandag 8 december 2008
Subsidie 2.0
donderdag 4 december 2008
Jet hag
Ontzettend irritant, dit. Het is alsof ik niet kan nadenken, maar dat klopt niet, want ik word overspoeld door te veel gedachten tegelijkertijd.
1. Ik veracht mijn eigen lichaam, dat de afgelopen twee nachten besloot om telkens twaalf uur te slapen. Alsof New York zo ver weg is! Het is gewoon Nieuw Amsterdam, hoor, je moet er heus niet zo'n big deal van maken. Get a grip, stom lijf. Vanochtend schoot het lijf mijn bed pas uit om 11u38. Zo komt er natuurlijk nooit schot in de zaak.
2. Ik luister naar Pink Floyd en denk: all in all, every day is just another brick in the wall. En vervolgens denk ik: my wall is crumbling, where are my bricks? I should go and get myself some bricks. I should do something.
3. De Vrij Nederland laat de werkkamer van Cees Nooteboom zien. Ik tuur naar de houten vloer waarop zijn Eames Aluminium Chair rust. Een vierkante meter naakte, splinterige rauwheid. ‘De uitgesleten plek die bewijst dat schrijven steeds moeilijker wordt’, staat erbij. Ik denk aan mijn eigen vloer.
Wanhopig schud ik mijn hoofd, als een hond die de regen uit zijn vacht schudt. Het kinderkoor van Pink Floyd moet zwijgen; ik ruk de stekker uit het stopcontact. Ik brouw een liter Earl Grey, sla de Vrij Nederland dicht, maak er een onderlegger van voor mijn theepot, en klap mijn laptop open.
Zodra ik een finaal punt heb gezet achter dit idiote blogje, sleur ik JP uit de nevelen van mijn brein en kwak hem zonder medelijden op papier.
Ik hoop dat hij een paar blauwe plekken oploopt. Veel te soft, die gozer.
Meer, méér...
woensdag 26 november 2008
Het gevoel! Het gevoel!
Ik probeer een gevoel te omschrijven, maar het lukt niet echt. Echter: het moet. Aangezien ik er zo op gespitst ben van omschrijven mijn vak te maken, moet het.
Ok, het gevoel. Hier komt het.
Ik had de hele dag gewerkt. Nou ja, gewerkt...
Eerst checkte ik mijn Quotemail, want vandaag was de deadline voor Qunst, de kunstrubriek die ik tijdens mijn verlof blijf schrijven. Slechts één van de kenners die aan Qunst meewerken, had zijn stukje afgeleverd.
Bellen. Sms’en. Mailen. Stressen.
Daarna ging ik water opzetten voor de thee. Vervolgens – ach ja, ik moest toch wachten tot het water kookte – checkte ik mijn webmail, dan mijn Gmail. (Het water kookte nog niet.) Effe Facebooken. Thee maken. En dan eindelijk schrijven, tot de lunch. Daarna begon het allemaal weer van voren af aan.
Het was dus niet bepaald een goede dag. Het was zéker niet de dag die ik voor ogen had toen ik het grote boekproject bedacht. Meer nog, zo’n utopische dag is mij nog nooit overkomen. (Het plan: onafgebroken tikken van 10u tot 19u minus 1u lunchpause. Dream on.)
Dus toen een kennis mij mailde met de vreselijke vraag op welke bladzijde ik zat, antwoordde ik: ‘Vier.’
Het kwam hard aan bij mezelf.
Eerst ging ik nog een beetje versuft door met schrijven.
Toen trof het mijn brein pas echt. Vier. Vier? Vier?!
Kon toch niet! Dus deed ik wat luie scholieren doen om zichzelf op te beuren: ik ging tornen aan de regelafstand. Van één naar anderhalf. De marges moesten ook wat breder, uit respect voor die arme Bij die ooit een duel zou aangaan met mijn tekst, een dikke rode stift (of nog erger, een slecht schrijvend rood potlood) in de aanslag.Na deze cosmetische ingreep zat ik op zestien pagina’s. Da’s vier keer zoveel als vier, nietwaar? Ik voelde mij gelijk een stuk beter. Alsof de helft van het werk erop zat. (Dat heb ik ook met journalistieke artikelen, zodra ik content ben met de eerste twee alinea's...) Opgelucht ging ik naar huis.
En een minuut of tien geleden – nu komt het, dat gevoel, ja hoor – ging ik het allemaal afdrukken. Voor de allereerste keer drukte ik op ctrl + p. Mijn printer (een obees laserding uit mijn studietijd) schokte, sputterde, en kwam toen rochelend in actie. Pffft, pffft, pagina 1, pffft, pffft, pagina 2. ‘Wat is dat geluid?’ vroeg mijn mannetje. Dat, m'n schatje, m'n liefje, dát is het geluid van succes! Van boek-in-wording! Hoor je dat dan niet? Voél je dat dan niet?
Ik dus wel. Het resultaat dat uit de printer rolde, maakte een verpletterende indruk op me. Het gevoel deed me denken aan de eerste keer dat ik mijn naam boven een ‘echt’ artikel zag staan (een zeer eenmalige galerierecensie in het FD was dat, vijf jaar geleden).
Toen dat (minuscuul) stukje verscheen, ging ik gelijk als een vlijtige kleuter aan de slag met mijn schaartje. Zo voelde het nu ook. Zo voelde het precies.
Met het verschil dat ik, na het besnuffelen van mijn novel-to-be, niet in de schaar maar in de pen kroop. Ik wilde met u delen wat ik voelde. Mijn god, we beginnen een band te krijgen!
Gatverdamme.
Straks ga ik huilen.
Van geluk, welteverstaan. Van geluk.
Meer, méér...
dinsdag 25 november 2008
Over een Puts en een Duts
Jeetje, dat kón toch niet? Twee keer las ik de alinea opnieuw. Toch, het stond er echt: hij kende een Jean-Pierre Duts. Niet Puts, maar Duts. Zijn Duts wilde ook de kunstwereld in. Zijn Duts had hem om advies gevraagd. Hè???
Laat ik mijn verbazing verklaren. Vorige week stuurde ik een mailtje naar een gerenommeerde galeriehouder uit Londen. Ik vertelde hem over mijn project, gaf hem een korte samenvatting van mijn verhaallijn, en stelde hem de volgende vraag.If some talented young man came up to you and asked you how to become a good art consultant, what would you tell him?
Gisteren ontving ik het antwoord. Een ongelooflijk antwoord, zo mag ik het wel noemen. Leest u mee…
Dear Emily,
Helpful, nou nee, niet bepaald. Maar wel wonderful. Er loopt dus ergens een échte Jean-Pierre rond met ambitie in de kunstwereld! Als ik mijn JP 'Duts' had genoemd – trouwens een veel betere naam, want 'duts' is Vlaams voor 'kluns' – had de échte JP Duts mij misschien voor de rechter gesleept (rather unlike him, as he really is ineffably charming)...
Memo voor mezelf: vergeet de disclaimer niet!!! Alle beschreven personages in deze roman zijn fictief. Het is nooit de intentie geweest van de auteur iemand persoonlijk te beschadigen.
zondag 23 november 2008
Puts in Milaan
Haast onsympathiek, zo omschreef Hermann Hesse de op één na grootste stad van Italië. In april 1903 bracht hij een snipperdagje in Milaan door. 't Was een tegenvaller; de beste man hield meer van Venetië. Maar goed, hij genoot wel van zijn koffietje in de Galleria – toen was daar van de McDonald's nog geen spoor – en van een bezoek aan de 'schitterende' Dom.
U raadt het al, Jean-Pierre Puts was de afgelopen dagen in Milaan. Volgende week vliegt hij naar New York. (Die plannen ontstonden, het moet gezegd, nadat mijn eigen reisjes goed en wel geboekt waren. Zo ben ik dan ook wel weer.)
Geen letter belandde in Milaan op papier. Dat valt tegen, want dat was echt wel de bedoeling. Mijn moeder belde mij een paar weken geleden en vermeldde terloops dat ze naar Milaan ging voor de opening van een – trouwens gewéldige – Magritte-expositie in het Palazzo Reale. Mijn vader ging niet mee, die moest bij mijn zieke oma blijven. Feilloos ging mijn romanradar knipperen. High class art stuff! Jean-Pierre Puts loves that shit. Ik mocht mee; het vliegticket had een knaloranje kleur en kostte mij bijgevolg nog geen 150 euro.
Ah, het plan was puik. Net als Hesse zou ik mijn Milanese indrukken tot in de details noteren; ik zou mij in JP verplaatsen en Milaan door zijn ogen observeren. Een opschrijfboekje was ik dan wel vergeten – die nieuwbakken romanciers toch – maar dat schafte ik na aankomst meteen braafjes aan. Maar ja, toen ik op de massagetafel van het Bulgarihotel lag – courtesy of my sweet mother – vergat ik dat ik goed moest letten op wat mijn zintuigen registreerden. En zo waren er wel meer momenten dat ik de rol aannam van verwende dochter, en niet van hardwerkende schrijfster-in-spe.
Dus, lukt het met die roman, meisje klein? Mja, de eerste van vele stappen zijn gezet.
Ach, de Dom van Milaan was ook niet in één dag gebouwd.
Meer, méér...
