Steeds vaker vraag ik me af hoe mijn leven eruit zou zien als 1 december 2009 een doodgewone dinsdag was.
Tot en met september werkte ik officieel op dinsdagen en donderdagen aan mijn roman; de rest van de tijd schreef ik voor vaste en losse klanten. Columns, brochures, persberichten, nieuwsbrieven, online content en zelfs een boekie tussendoor. Omdat ik me daarmee wel kan amuseren. En bovendien moet ik toch ergens mijn bankrekening mee vullen, anders lijkt ze zo… leeg.
Nu is de bankrekening zodanig gevuld dat ik me sinds een maand op het schrijven kan richten, toch zeker tot het einde van het jaar. Dat doe ik niet (ik heb twee vaste klanten die ik aan de kant kan noch wil zetten), maar het idee is mooi. In de praktijk werk ik een dag of vier per week aan Arty-farty. Het vlot, maar niet heus: vlotten is volgens de Van Dale ‘zonder haperingen, gemakkelijk of voorspoedig verlopen’.
Dat is dus niet het geval. Jezus, wat valt het schrijven van een roman me zwaar. Ik doe niets liever dan schrijven. Schrijven is zo ongeveer het enige naast sex, drugs & rock ‘n’ roll dat mijn geestje kan verlichten, maar het schrijven van een roman... tja, ik kan het niet anders zeggen: het verzwaart me. Ik ben minstens tien mentale kilo’s aangekomen sinds ik met het grote boekproject begon. Ik ben, geloof ik, te kritisch. Of ik doe te moeilijk, weet ik veel.
Waarom? O, dat weet dit meisje dan wél weer: door de deadline. De verdomde, verbliksemde, verdoemde, verdraaide, verduivelde, vervloekte deadline (met dank aan synoniemen.net). Zo nu en dan vraagt men mij of ik de deadline niet vergeet. Eh, nee. Hij valt op 1 december, en geloof me, hij valt elke dag een paar keer op mijn hersenpan, als een krom krantenbericht op een nuchtere maag.
Ik overdrijf. Bovendien is de deadline mijn eigen schuld. Ik wilde een deadline. O, wat wilde ik graag een deadline. Nietwaar Thomas, weet je het nog? ‘Geef me een deadline,’ smeekte ik, ‘ah toe, geef me een deadline, dat werkt als een stok achter de deur!’ Mooi niet, wijffie. De deadline is zo’n forse, knoestige stok gebleken, dat ik op slechte dagen niet eens meer in de buurt durf te komen van de deur.
Dus: wat als ik geen deadline had? Wat als ik het leven van een vrije bij leidde? Julia Cameron, door wiens The Right to Write ik me af en toe laat verleiden, vraagt het zich blijkbaar ook weleens af:‘If we didn’t have to worry about being published and being judged, how many more of us might write a novel just for the joy of making one? Why should we think of writing a novel as something we couldn’t try – the way an amateur carpenter might build a simple bookcase or even a picnic table? What if we didn’t have to be good at writing? What if we got to do it for sheer fun?’
Het zijn mooie 'creative writing'-vragen. En o, wat wil ik haar geloven, die dartele dame met de dichterlijke naam. Maar het antwoord doorsplijt zelfs de wolligste Amerikaanse wolk: ‘Nothing would happen, Mrs Cameron, nothing at all.’ Er valt geen speld tussen te krijgen. Want wat heb ik de afgelopen 28 minus 1 jaar nou precies geproduceerd, qua fictie, waar ik nu nog trots op kan zijn? Juistem: noppes. Dus misschien moet ik mezelf maar even, heel hard en genadeloos, de volgende vragen stellen:‘If you didn’t have to worry about being published and being judged, would you write a novel just for the joy of making one? What if you just stopped thinking so much, huh? How about shutting the fuck up and getting on with it? What if you actually started finishing that damn novel of yours? And no, it’s not sheer fun. Then again, did anyone ever tell you it would be?’
Meer, méér...
maandag 2 november 2009
De doem van de deadline
zondag 18 oktober 2009
Intermezzo
This is what I wanna be
Suddenly I see
Why the hell it means so much to me
zaterdag 17 oktober 2009
En toen trok de mist der middelmatigheid weg
Van: Emily
Verzonden: zaterdag 17 oktober 2009 11:31
Aan: Hans, Thomas, Floris, AVD, Thijs, Nenene, Papa, Leon, Marike, Motie
Onderwerp: En toen trok de mist der middelmatigheid weg
Beste (hoofd)redacteur,
- Hans, Thomas
Beste meelezers,
- Floris, AVD, Thijs, Nenene, Papa
Beste meeluisteraars,
- Leon, Marike, Motie
Gisteren lag ik op de sofa met mijn lief. We keken naar Revolutionary Road en ik genoot, maar ik hoorde er niet te liggen. Er was de bowlingborrel met de Jonge Bijen en het lanceringsfeestje van Philip Huff waar ik heen zou gaan. Ik was niet gegaan; ik had knetterende koppijn geveinsd. De hele dag lag ik met mijn zenuwen in de knoop. Tegen 17u kon ik eindelijk aan mezelf toegeven dat ik bang was. Te bang. Pas toen ik dat besluit had genomen, kon mijn dag beginnen. Het is de beste beslissing gebleken voor de ontluikende debutant in mij: gisteravond werd Arty-farty in beton gegoten.
Het is bijna middernacht als John Giving, het knapste karakter van Revolutionary Road, zijn intrede doet op ons platte Sony-scherm. Officieel lijdt deze nogal griezelige knul aan paranoïde schizofrenie. Of die diagnose correct is, weet ik niet, maar in elk geval stelt het hem in staat de werkelijkheid te benoemen zoals die is. Door Givings franke en spijkerharde uitlatingen beseft de kijker (of de lezer van Richard Yates’ roman, die ik jaren geleden verslond) dat de Wheelers écht bijzonder zijn: they get him. Giving probeert het niet te laten merken, maar hij is stomverbaasd. Even later spreekt hij de volgende legendarische zin uit: “Plenty of people are on to the emptiness, but it takes real guts to see the hopelessness.”
Dat zijn dan ook de eerste woorden die ik in een vlaag van verstandsverlichting op papier zet. Nou ja, papier is niet zo snel voorhanden, dus neem ik genoegen met de dunne marges van de PC Rendement. Er vormt zich een idee in dat hoofd van mij. Ik kijk mijn lief aan en zeg: “Zo moet Marijke zijn.” Ik ben er zeker van. “Druk je even op pauze?” Ik begin uit te leggen wat ik zojuist heb doorgrond. Hij zwijgt, denkt na. “Moet ik dat dan doortrekken in de hele film,” vraag ik, “of pas in de tweede helft?” Ik bedoel natuurlijk het boek – mijn boek – maar hij begrijpt me. “In het hele boek,” zegt hij, “maar in haar léven slechts de helft.” Ik weet precies wat hij bedoelt.
Een brainstormsessie barst los. Zoiets heb ik nog nooit meegemaakt. Het is een potje mentale pingpong: ik gooi hem een balletje toe, hij vangt het verwonderd op, inspecteert het, gooit het weg – of stopt het veilig in een mandje. Langzaam raakt het mandje vol. “Eigenlijk moeten we dit opnemen,” zegt hij. Mijn iPhone ligt binnen handbereik. Ik zet de recorder aan. Negen minuten en achttien seconden later hebben we samen een schets van de nieuwe verhaallijn vastgelegd. Is het any good? Ik druk op ‘play’. Mijn stem klinkt veel trager dan ik dacht, en vooral onnatuurlijk vurig (“Gerda heet niet Gerda. Gerda heet Annie. Zo heet ze gewoon.”). Maar onze ingevingen snijden hout, en daar gaat het om. “Wacht even,” slaak ik, “blijf luisteren. Blijf luisteren!” Zodra ik zie dat mijn lief inderdaad blijft luisteren, ren ik naar beneden en ruk de A4’tjes met mijn huidige synopsis uit mijn tas. Ik hol de trap op, gris mijn schrift van tafel, plof weer neer op de sofa en begin koortsachtig te schrijven. Het eerste het beste schrijfgerei waar ik mijn hand op kan leggen, is een gifgroene balpen met in zilveren lettertjes MODERN ART OXFORD. Hoe frappant.
Twee uur later heb ik de sleutelscènes uitgeschreven, de hoofdstukken heringedeeld, en deze brief opgezet. Arty-farty (ondertitel: It takes real guts to see the hopelessness) staat niet meer als een kaartenhuis. Het is een stevige straat, een buurt bijna. Het wordt een wereld. Dus, lieve (hoofd)redacteur, meelezer of meeluisteraar: heb alsjeblieft nog heel even geduld.
Emily
PS1 Mijn virtuele alter ego wil dat ik deze column straks op mijn weblog plaats. Zij wil ook dat ik alle reacties op deze e-mail online zet. Dat zal ik dus doen; ik ben haar veel verschuldigd. Uiteraard zal ik je anonimiseren, tenzij je aangeeft dat dat niet hoeft.
PS2 Dank je. Dank je!
PS3 Mijn lief lag allang te slapen toen ik in bed kroop. “Ik heb het,” fluisterde ik, “ik héb het.” Voorzichtig maar vastberaden schudde ik hem wakker: hij moest het horen. “Oh,” kreunde hij, “heb je het? Mooi zo.” En bijna meteen daarna: “Ik heb zo’n ongelooflijke zin in drop.”
Meer, méér...
woensdag 14 oktober 2009
Het open source project
Ik moet u iets bekennen: ik kan het niet alleen. Zelfs al gaat het schrijven momenteel erg lekker, alleen kan ik het niet. Neem vorige week. Van donderdag tot zondag was ik verloren. A. was weg.
A. is mijn schrijfbuddy. Sommige mensen zouden van een “meelezer” spreken, maar dan denk ik gelijk aan “mee-eter”. En dat moeten we niet hebben: A. is allerminst een zwart puntje.
Is A. er niet, dan merk ik dat meteen. Zoals vorige week, toen ze op een internetloos eiland aan haar eigen roman schaafde.
We begonnen ongeveer tegelijkertijd aan onze schrijfprojecten, A. en ik. Onze werkwijze verschilt sterk – zij is stukken gedisciplineerder dan ik, ondanks/dankzij haar kinderrijke leven – maar één ding hebben we gemeen: de behoefte aan feedback. Die behoefte is aanzienlijk. Zeg maar: kolossaal. We e-mailen elkaar alles toe; elke versie moet eraan geloven.
‘Dag lieve A.’, klinkt het dan, ‘zou je mijn hoofdstuk vijf nog eens kunnen lezen? Ik heb er flashbacks aan toegevoegd, in de tegenwoordige tijd, maar ik weet niet zeker of het werkt.’ Een paar dagen later: ‘Dag lieve A., zou je mijn hoofdstuk vijf nog eens kunnen herlezen? Ik heb de tijden nu omgedraaid: de flashbacks in het verleden en de rest in de tegenwoordige tijd.’ Enzovoort, enzoverder. Arme A., denkt u nu, maar wees gerust, die doet precies hetzelfde. De ‘track changes’-functie van de tekstverwerker beleeft gouden tijden.
Daaraan moest ik denken toen ik gisteren aan de borrel zat met een fijn stel vrienden. Eén van hen loopt met een romanidee rond. Ik wilde het erover hebben met de anderen. Tenminste, als hij dat goed vond. ‘Maar natuurlijk’, riep hij uit, ‘dit is een open source project!’
Ik denk er precies zo over. Mijns inziens wordt het zonder anderen maar een saaie boek, eh, boel.
Meer, méér...
woensdag 30 september 2009
‘Is je boek al af?’
Ik droomde dat ik met een vriendin zat te lunchen bij Brasserie Keyzer. Fijn was dat, tot ik besefte dat Keyzer ook op het lunchlijstje stond bij uitgevers van diverse pluimage. Genot sloeg om in gruwel. Elk moment kon een Bezige Bij binnenkomen die recht naar me toe zou benen. Vijf woorden zou hij tot me richten: ‘Is je boek al af?’ Geen ah-wie-zullen-we-daar-hebben, geen pot om rond te draaien; slechts een Frankenstein-lach in plaats van een vraagteken.
Een nare droom. Zeker omdat het geen droom betrof – geen echte althans. Mijn brein was klaarwakker toen het mijn gedachten ongevraagd bijeen boetseerde om bovenstaande scène te bakken. Ik lag gewoon in bed op een woensdagochtend, en zette een mentaal luikje open, ergens rechts van het midden.
Een dagdroom als deze confronteert me met een waarschijnlijk zeer ongegronde schrik: ik vind uitgevers steeds enger. ‘We willen dat dit je huis wordt’, vertrouwde een goedbedoelende Bij me niet zo lang geleden toe. ‘Je moet je hier thuis voelen, je moet hier graag komen.’
Tevergeefs. Ik word nerveus van de trap die zoveel verlichte voeten heeft gekend, van de kamertjes die zoveel wijze romans herbergen. Wanneer ik de Van Miereveldstraat nummer 1 betreed – wat ik tot dusver slechts een keer of drie aandurfde – kraakt het aan alle kanten. Onder de druk van al die beloftes staat het pand op het punt het te begeven.
In mijn hoofd dan.
Dat hoofd van mij verwachtte blijkbaar een ander soort uitgeverij. Eentje zoals journaliste Frédérique Deghelt beschrijft in haar roman La Grand-mère de Jade. ‘Les éditions En lieu sûr’, heet deze wel zeer fictieve uitgeverij. Oprichter Albert Couvin vult zijn website met allerlei romantische verklaringen. De mooiste: ‘Mijn passie om u te lezen, en om te dromen dat zich een schrijver schuilhoudt in de broze envelop die uw teksten bevat, dat is de enige garantie die ik u kan geven.’
Ik weet niet wat ik verwachtte toen ik Thomas officieel ‘mijn’ redacteur mocht noemen. Dat hij Albert Couvin zou heten en mij bij het handje zou nemen? Dat hij, zoals soms met Grote Schrijvers gebeurt, elke dag bezorgd zou bellen om te informeren naar mijn schrijf- en denkgedrag? Dat hij mij, kortom, het gevoel zou geven dat ik belangrijk was – belangrijk genoeg om met dat gevoel gezegend te worden? Nee, meisje. Schrijven doe je alleen. Je weet toch dat je clichés dient te gehoorzamen.
Nu gaat het goed. Ik lag er twee weken uit – eerst een emotioneel griepje gevolgd door de fysieke variant – maar het gaat goed. Alleen krijg ik zo’n hekel aan die vijf woorden. Is je boek al af? Alsof ik hardleers ben, alsof ik pertinent weiger dat boek af te maken. Het cynisme drupt ervan af. Je kan net zo goed keihard tegen m’n schouder aan knallen en me vervolgens een blik vol haat toewerpen. Ik kan er niet zo goed tegen, nee.
Het boek is nog niet af. Maar het gaat goed, dank je wel. Het gaat goed, en vooruit.
Meer, méér...
